De Woorden van Gouverneur Bovens op de Sociale Studiedag

Dag dames en heren, excellenties,

Wat een prachtige groep mensen is hier vanmiddag verzameld. U bent vandaag met elkaar verbonden op een studiedag die over de kracht van verbondenheid gaat. Een sociale studiedag in de beste tradities van het diaconale werk. U bent allen óf verbonden aan projecten die verbondenheid stimuleren óf u bent bestuurlijk actief bij organisaties die die projecten uitvoeren of steunen. Als het dus de bedoeling was van de organisatoren om een spreker te vragen het belang van verbondenheid er nog eens bij u in te wrijven, dan denk ik dat ik voor een volstrekt overbodige opgave sta. Het is een feitelijk hopeloze zaak om u nog wat nieuws over het thema aan te reiken. En dus heb ik mij gewend tot de Heilige Rita, die van de hopeloze gevallen, met de vraag om mij bij te staan. Over pakweg 25 minuten weet u of zij geholpen heeft. 

Toch heb ik ja gezegd op de uitnodiging, omdat ik wel uitgedaagd ben door vragen van de organisatoren hoe je verbondenheid tot stand brengt, wat is daar voor nodig, en hoe kun je het effect van verbondenheid maximaliseren?

Even ter introductie: ik ben dus inderdaad gouverneur van Limburg, en in die rol of functie wordt ik eigenlijk betaald om alle Limburgers in Limburg met elkaar te verbinden. Een deel van mijn functie is de zogenaamde boegbeeldfunctie, waarmee ik geacht wordt alle inwoners te representeren, namens allen taken uit te voeren. Dus als ik afgelopen  zondag in Margraten een krans mag leggen op Memorial Day, doe ik dat niet als persoon, het individu Theo Bovens, die het leuk vindt om met 33 graden Celsius in een donker pak anderhalf uur op een schaduwloos kerkhof door te brengen, maar omdat ik daar de gevoelens van respect van en namens alle Limburgers jegens onze bevrijders tot uitdrukking breng. En u hoeft overigens geen medelijden met mij te hebben, want ik doe mijn werk met veel plezier, wordt uitstekend ervoor betaald, en ik had toch nog een reserve ‘zuver humme’ in de kast hangen om mij hier vandaag fatsoenlijk te vertonen.
De aanwezige Limburgers, alsmede zij die later van de kranslegging vernemen, zien die krans niet als de krans van Theo, maar echt als hún krans.
De kracht van verbondenheid, in de vorm van gedeelde identiteit.

Verleden week was ik als vrijwilliger-brancardier voor de 22e keer in Lourdes op bedevaart. Een prachtige manier om verbondenheid tot stand te brengen is om met 450 mensen samen uit je woonomgeving weg te trekken en dagelijks 2 a 3 gezamenlijke feestelijke en ontroerende momenten te creëren, ver van huis. Een gezamenlijk doel voor ogen hebben, of op z’n minst een gezamenlijk focuspunt (in dit geval Maria in de Grot), schept snel een band tussen wildvreemden. En de mooiste ervaring is, dat die ter plekke ontstane band aan het einde van de 5 dagen bedevaart leidt tot een bijna automatisch elkaar bijstaan. Er wordt met elkaar gesproken, gelachen en gehuild; het is vechten om een plekje achter een rolstoel, en de ogenschijnlijke grens tussen gezonde en minder gezonde pelgrims is verdwenen.
De kracht van verbondenheid, in de vorm van gedeelde ervaring.

Voordat ik gouverneur werd, was ik Kroonlid en Dagelijks Bestuurslid van de SER, de Sociaal Economische Raad. Kroonleden zijn onafhankelijken die bij de adviesvorming van de SER een belangrijke taak vervullen om de partijen werknemers en werkgevers op één lijn te brengen. Dat doen ze door de waarde van feiten en argumenten te benadrukken, compromissen voor te stellen, bemiddelend gedrag te vertonen. De SER is de representant van het georganiseerde bedrijfsleven, en probeert de sociale en economische politiek van Nederland te beïnvloeden. De SER is daarmee de vleesgeworden polder, de plek waar het poldermodel heerst. Ik mocht meewerken aan het SER advies over ZZP’ers, en dat over de Jeugdzorg, en als dan later de regering grote delen van het advies in beleid vertaalt, voelt dat bij de SER-leden als een overwinning. De belangen van verschillende partijen zijn verenigd, en hebben daardoor overredingskracht gekregen.
De kracht van verbondenheid, in de vorm van gedeeld belang.

Verbondenheid als kracht in het sociale werk. Een uitdagende stelling. Je kunt pas echt goed andere mensen helpen door of zelf een band aan te gaan met die ander, of door mensen samen te brengen en in een netwerk laten werken aan het oplossen van hun probleem. Mensen die al eens eerder mij hoorden spreken bij een studiedag van DAK-Nederland, weten dat ik bijna 3 jaar geleden een 10 daagse maatschappelijke stage heb gelopen bij en via Hub Vossen. Als stagiaire, soms zelfs incognito, mocht ik diverse projecten en activiteiten in het sociale domein bezoeken, er als medewerker aan deelnemen en ruiken aan de ervaringen van mensen met problemen zoals verslaving, schulden, eenzaamheid, handicap, taalachterstand of combi’s daarvan. Dat was niet om een gouverneur ook eens te zien werken, maar vanwege mijn wens om een andere kant van :Limburg beter te leren kennen. Normaal ontmoet ik immers meestal de geslaagde kant van Limburg. Ik ontmoet succesvolle sporters, ondernemers, studenten. Vertegenwoordigers van groepen die iets bijzonders presteerden, bestuurders, organisaties, gemeenten. Maar hoe vaak tref ik een thuisloze, een vluchteling op taalles, een klant van de kledingbank van het Leger des Heils, een net vrijgelaten gevangene, verslaafden op straat? Hoe vaak verkeer ik tussen mensen die eenzaamheid verdrijven door samen eten te koken, samen in een buurtwoning te kaarten, of gezelschap zoeken in een wekelijkse koffie-ochtend in de pastorie? Als ik eerlijk ben: vrijwel nooit.

Ik was overigens niet geheel bleu. Ik noemde al mijn brancardierswerk, en er is natuurlijk af en toe ervaring als mantelzorger.. En ik draaide als wethouder Sociale Zaken jaren geleden 2x per week spreekuur in Maastricht, en verdiepte mij daarmee in vele persoonlijke en trieste situaties. Maar dat was toch echt anders, omdat mensen daar in een andere verhouding, eigenlijk zonder een band met je te hebben, tegenover je zaten. Nee in die 10-daagse maatschappelijke stageweek kwam ik toch iets dichterbij, kwam de problematiek ook dichter bij mij. En dat maakte grote indruk.

Twee leerpunten vielen mij op: de relatie tussen problemen en organisatievermogen, en het vraagstuk van de verschillende tijdsnelheden in levens van mensen. Het eerste vraagstuk is wellicht het meest bij u allen bekend. In de huidige westerse samenleving gaan we meestal er vanuit dat die bestaat uit mondige, zelfredzame en zelfbewuste burgers. De overheid richt daarop steeds vaker ook haar wet- en regelgeving in. Maar als je nu eens niet zo brutaal of mondig bent, als je nu eens niet zo taalvaardig of leesvaardig bent, als je eens niet beschikt over een computer met internetverbinding, als je een negatief zelfbeeld hebt, verlegen bent, hoe is het dan met je zelfredzaamheid? En als je niet goed kunt organiseren, kun je niet goed plannen, niet goed koken, niet goed een huishouden runnen, niet goed op tijd medicijnen slikken en ga zo maar door.

Ik trap in deze zaal van ervaringsdeskundigen ongetwijfeld open deuren in als ik zeg dat de samenleving inderdaad niet alleen uit zelfredzamen bestaat, maar ook uit laaggeletterden, licht verstandelijk beperkten, mensen die we in sommige definities ‘kwetsbaren’ noemen. Als je in de aanpak van kwetsbaarheid de nadruk legt op het bevorderen of herstellen van zelfredzaamheid kan dat óók door het aanbieden van een band, een netwerk, een kring die samen het organisatievermogen van de betrokkene compenseert of versterkt. Immers het beeld van de zelfredzame mens, de gedachte in de westerse samenleving dat je het allemaal wel alleen kunt of moet kunnen, is een mythe. Zelfs als die zelfredzame persoon daadwerkelijk bestaat, moet je altijd bedacht zijn op het feit dat iedereen in zeer korte tijd zelf in een situatie terecht kan komen dat zijn of haar organisatietalent tekort schiet. Een heftige gebeurtenis, een ongeluk, een sterfgeval, een ziekte, het wegvallen van je baan: het kan iedereen voor korte of langere termijn in problemen brengen.

Ik besef terdege dat ik ook binnen luttele seconden van gezonde mens in een halfzijdig verlamde CVA-patiënt kan veranderen, dat ik bij verlies van mijn baan zodanig in een problematische schuldsituatie terecht kan komen, dat ik mijn huis moet verlaten, dat ik depressief kan worden, verslaafd kan raken aan iPhone of alcohol. Ook ik kan binnen een paar maanden aangewezen zijn op ded Voedselbank, de soepbus van het Leger des Heils, de kleding uit de kringloopwinkel, kortom hulp van anderen.

Ik leef daarbij zelf in de veronderstelling dat ik over een sterk netwerk beschik van familie en vrienden, die dan mijn leven zullen meehelpen organiseren, weer op de rails te brengen. Maar wat als je van dat netwerk geen gebruik wilt maken, daar bang of beschaamd voor bent, ruzie hebt gemaakt? Vul zelf maar in.

U bent vrijwel allen betrokken bij, of supporter van projecten die in de particuliere sfeer uitgaan van het principe dat je naast de kwetsbare staat, in een gelijkwaardige relatie. Vele projecten gaan over het bieden van een netwerk, een organisatiekracht aan mensen die dat kunnen gebruiken. Het lijkt wel alsof dat type projecten en initiatieven de laatste jaren een groei doormaakt. Misschien komt dat wel omdat de problemen van mensen door de overheid niet oplosbaar bleken, juist omdat diezelfde overheid van dat mythische mensbeeld is uitgegaan, en nog steeds blijft uitgaan.

De presentie-theorie zal in de zaal niet onbekend zijn, denk ik. Sterker, al dan niet bewust past u die in uw projecten toe. Ik heb projecten gezien waarbij de doelstelling ook letterlijk zich beperkt tot het bieden van een luisterend oor, het slaan van een arm om de schouder, een hand in de rug. En dan is ‘zich beperkt tot’ oprecht niet denigrerend bedoeld.

Een overheid gaat uit van de gelijkheid van mensen. Mensen in gelijke omstandigheden moeten gelijk behandeld worden. Onderscheid kan lastig gemaakt worden. Hulp en ondersteuning worden ‘zonder aanziens des persoons’ gegeven. Ooit gaf een jubilerend reisbureau de Maastrichtse sociale dienst 4 caravanvakanties aan voor arme families. De dienst bleek niet in staat om 4 families te selecteren die de reis konden maken, want objectieve selectiecriteria waren heel lastig te bedenken, als je 2500 families in je bestand hebt. En dus werden de reizen doorgeschoven naar een particuliere charitatieve organisatie, geleid door een kloosterzuster. Deze kon in alle stilte makkelijk 4 families uit haar netwerk blij maken. De gift kwam uitstekend terecht.

Als verbondenheid een krachtiger wapen is om de strijd tegen problemen aan te vallen, dan is particulier initiatief wellicht beter gepositioneerd dan een overheid, die vanuit zichzelf enige distantie moet houden. Het leuke is dat na de recente decentralisatiegolf, diezelfde overheid de werkwijze van het particuliere initiatief beter waardeert en soms zelfs overneemt. Is immers het moderne wijkteam niet een goedbedoelde poging van een gemeentelijke overheid om te werken vanuit het principe van netwerkvorming, binding in buurten? Er zijn al wijkteams die contact zoeken met parochies, vincentiusverenigingen, verenigingsleven enzovoort.

Ik zeg bewust nog goedbedoelde poging, want het blijft de vraag of de overheid er in zal slagen om de consequentie van dat principe te accepteren: namelijk dat je dan verschil moet durven maken, mensen ongelijk moet durven kunnen behandelen. Daar passen dan geen verstrekkingstabellen, afvinklijstjes of andere verantwoordingssystemen in.

Eenzelfde ontwikkeling zie ik in de thuiszorg, waar de opkomst van een concept als buurtzorg een intrigerend fenomeen is. Door thuiszorgmedewerkers in zelfsturende teams de mogelijkheid te geven zelf te beslissen wat en hoe mensen verzorgd moeten worden, ontstaat vaak een hogere kwaliteit van zorg. Maar kan dit systeem op tegen de regeldruk van verzekeraars, gezondheidsinspectie als het op een landelijke schaal moet worden uitgerold? En hoe zelfredzaam moet de hulpvrager bij buurtzorg eigenlijk zijn?

Een tweede leerpunt uit mijn stage was de notie dat er een kloof in tijdsnelheden zichtbaar is. Een steeds grotere groep mensen heeft het idee dat men niet mee kan komen met de snelheid van de ontwikkelingen in de samenleving. Nu is dat misschien van alle tijden, en het zal ook honderd jaar geleden zo zijn geweest dat de oudere generaties moeite hebben gehad met nieuwlichterij als de telefoon en de auto. Maar bewezen s dat de ontwikkeling van kennis nu sneller gaat dan vroeger. In 10 jaar tijd is kennis verdubbeld, tegen 100 jaar de eeuw hiervoor, en de verwachting is dat we in 5 jaar tijd weer verdubbeld zijn. Daarbij worden we gemiddeld ouder, dus ons aanpassingsvermogen wordt meer op de proef gesteld.
Ik merkte dat mensen in een problematische situatie de aansluiting met de steeds versnellende samenleving kwijt zijn. Geen aansluiting op internet, digibetisme, verstoken blijven van nieuws, niet aanwezig op social media: het leidt tot het gevoel dat de trein van de samenleving zonder hun is vertrokken en niet meer is in te halen.

De jachtige samenleving maakt ook slachtoffers. Stress is welvaartsziekte nummer 1, behoefte aan onthaasting, retraite, sabbaticals neemt toe, maar het is niet iedereen gegeven die rust te pakken. Stilteplekken zijn populair, en vragen over zingeving mogen weer gesteld worden. In de projecten die vandaag aanwezig zijn is er meestal tijd in overvloed. Er wordt veel koffie gedronken, rustig samen gekookt en gegeten. En de persoonlijke verbondenheid uit zich in persoonlijke contacten, maatjes- en buddy activiteiten, samen de stad in, gezellige inloopochtenden enzovoort. Tijd is met andere woorden een sleutelbegrip in vele projecten. En het tempo van de meeste projecten is rustig. Dat doet vaak weldadig aan, mensen komen daadwerkelijk tot rust. De kritische vraag kan zijn of er na de fase van rust de accu zodanig is opgeladen dat men weer de snelle maatschappij in kan, of dat men moet accepteren dat er samenlevingen van meerdere snelheden bestaan.

Als ik eerder betoogde dat een samenleving van zelfredzamen een mythe is, en het samenlevingsmodel dat daarop gebaseerd is mensen die minder organisatievermogen hebben diskwalificeert, dan kan ik nu ook betogen dat een samenleving waarin iedereen de gemiddelde snelheid van ontwikkeling kan bijhouden een mythe is, en dat dus een overheid die blijft aandringen op participeren in ontwikkeling van iedereen, mensen die dat tijdelijk of langer niet kunnen, diskwalificeert.

Nu ben ik zelf overheidsdienaar, en ook wel van de school die eigenlijk vindt: de overheid: dat zijn wij allemaal samen zelf. De tegenstelling: hier staan de burgers, en daar is de overheid, is een beetje kunstmatig. Want wij maken al die regels niet voor niks, en meestal steunend op groot draagvlak in de samenleving. Kritiek op de overheid is dus in wezen ook een beetje zelfkritiek.
En die zelfkritiek kun je natuurlijk ook hebben als je in diverse particuliere projecten werkt. Zo moet ik soms denken aan de paradox die goed verwoord wordt in het motto van de Maastrichtse Heiligdomsvaart 2018: Doe Goed en Zie niet Om. Een mooie titel, die feitelijk geïnspireerd is op het Jaar van de Barmhartigheid dat Paus Franciscus een jaar geleden uitriep.

De kreet Doe Goed En Zie Niet Om staat niet letterlijk in de Bijbel, maar is wel gestoeld op het evangelie van Lucas. Het lijkt mij dus redelijk Bijbels verantwoord om te stellen dat het goed is om enige afstand te bewaren tussen een gulle gever, een weldoener, en de arme ontvanger, de kwetsbare. Ik ken projecten die er eer in stellen alle hulp zo anoniem mogelijk te verstrekken.

Hoe zit dat dan met die presentie-theorie? Is het hulp verlenen en wegwezen, of is het een langdurige band aangaan.
Paradoxaal of niet?

Ik denk van niet. Ook hier zit de sleutel in het besef van gelijkwaardigheid tussen helper en geholpene. Het besef dat je zelf elk moment kwetsbare kunt zijn, en dus niets beter of meer bent dan degene die nu op hulp is aangewezen.

Het Heiligdomsvaartthema slaat dan ook niet op de methode van barmhartige werken, maar op het motief. Doe goed en zie niet om duidt op de klassieke term ‘onbaatzuchtigheid’. Goed doen zonder er iets voor terug te eisen. In een gelijkwaardige verhouding hoeft er niet steeds dankjewel gezegd te worden. Daarop rekenen, dat verwachten wordt in het motto ter discussie gesteld. De beste projecten zijn die waarin de activiteiten als een normaliteit worden verricht. Natuurlijk help ik je met die administratie, vanzelfsprekend ga ik met je naar de film, ik vind het leuk samen met je te eten of koffie te drinken, mag ik ook iets van jouw taal leren?
En dan weet iedereen hier aanwezig ook dat de voldoening net zo goed beloning is.

Dames en heren,
Ik ben ook voorzitter van het Kansfonds, vroeger bekend als Skanfonds, en wellicht bij sommigen onder u nog als Stichting Katholieke Noden. Dit fonds, met het motto Geven om een Ander, richt zich op de steun aan projecten voor de meest kwetsbaren, en velen van u kennen het fonds als subsidiënt. We bestaan in september 60 jaar. 60 jaar werken vanuit de inspiratie van het Katholiek Sociaal Denken, ooit populair geworden door Schaepman, de encycliek Rerum Novarum en dergelijke, maar mijns inziens nog steeds een springlevende inspiratiebron.

De campagne die het Kansfonds grotere bekendheid en wellicht ook sponsoren moet opleveren kent een mijns inziens aardige grondgedachte. Wij doen een appel op mensen door ze te zeggen dat men het recht heeft om iets goeds te doen. Bijvoorbeeld: je hebt het recht om een dakloze te groeten. Daarin schuilt de keuze die ieder mens kan maken, of feitelijk dagelijks maakt als hij of zij een dakloze tegenkomt. Het recht om goed te doen plaatst het object van het goede werk ook vanzelf in een gelijkwaardige positie. Je hebt het recht om in een buurtrestaurant te gaan eten, om iets in een Emmaus-winkel te kopen, om met een ernstig zieke een dag naar buiten te gaan.

U heeft in meer of mindere mate al die keuze gemaakt, en beseft dat u die keuze iedere keer opnieuw maakt als u activiteit ontplooit. Het is dan ook een keuze om commitment aan te gaan, een band aan te gaan, verbondenheid te scheppen. In de geest van de Kansfondscampagne: u heeft het recht om die band te smeden. De kracht van verbondenheid is dus geen kracht die over je heen komt, maar die gebaseerd is op je eigen keuze. Je beslist immers zelf. Ik waardeer die keuze, ook als uw gouverneur, zeer.

En een studiedag zou geen studiedag zijn als ook hier een maar achteraan komt. Er zijn verbanden, verbondenheden die je natuurlijk niet zelf kiest, die je wel overkomen, waar je niet snel aan kunt ontsnappen. Ik noem bijvoorbeeld de familie waarin je opgroeit, de straat, de wijk. En dat we in dit Bisdom Roermond allemaal Limburger zijn, daar is ook niks aan te veranderen. Alhoewel: Onze Lieve Heer kon niet iedereen ter wereld laten geboren worden in deze mooiste provincie, maar als je er niet woont is het je eigen schuld.

En over 3 dagen viert de kerk een feest waar we stil staan bij een gebeurtenis waar de Heilige Geest de kracht was die apostelen overkwam. Eigenlijk wel symbolisch om deze studiedag over de kracht van verbondenheid vlakbij Pinksteren te organiseren. De apostelen kregen van de Geest de mogelijkheid in vele talen te spreken en te preken, en daarmee de kracht om gemeenschappen over de hele wereld te vormen, om mensen te verbinden, om groepen te creëren waarin lief en leed gedeeld worden, netwerken laten ontstaan met organiserend vermogen, waar mensen present zijn voor elkaar, christenmaatjes- en buddy’s worden, opvangvoorzieningen inrichten (misschien ook toen al onder de naam Bij Jozef), goede werken te doen.
Met andere woorden ook die apostelen hadden daartoe het recht, en ook zij maakten die keuze.

Dames en heren,
Ik ga langzaam afronden.
Ja, de overheid gaat te vaak uit van een mythisch mensbeeld dat de samenleving bestaat uit mondige zelfredzame mensen, in goed functionerende netwerken met organisatievermogen, en diskwalificeert daarmee onbedoeld degenen die daarin minder bedreven zijn.

En ja, diezelfde overheid verheerlijkt een samenleving die zich steeds sneller ontwikkelt, globaliseert, innoveert en mensen daarbij wil betrekken; mensen moeten bijblijven, moderniseren, voorop lopen; en diskwalificeert met andere woorden mensen die het tempo niet kunnen of willen volgen, die rust zoeken of nodig hebben.
En ja, we doen daar allemaal ook aan mee door steeds meer om procedures te vragen, gelijkheidsdenken onbewust in te voeren, om te digitaliseren, om te bureaucratiseren, steeds hogere eisen te stellen, het jargon van SMART-doelstellingen in de projecten te introduceren.
En ja, soms komen we niet uit de paradox van onbaatzuchtige en anonieme hulp enerzijds en de gelijkwaardigheid in de hulprelatie en de presentie anderzijds.
Het recht om goed te doen behelst ook het recht om verbondenheid aan te gaan. Verbondenheid uit keuze biedt wellicht de meeste kracht om problemen te lijf te gaan.

Tenslotte:
Ja, het gaat economisch goed met Limburg, maar niet voor niks zoeken we verbinding tussen economische ontwikkeling en het versterken van de sociale structuren. Op alle fronen moeten we tandjes bijzetten: organiserend vermogen vergroten, omgaan met een samenleving met meer snelheden, bouwen aan gemeenschappen. Maar ook dan blijft de bottum-lijn: mee-tellen blijft belangrijker dan mee-doen. 

     
     
     
     
     
Susteren-Echt